Gespreksregels

Aanbevelingen voor een goed gesprek:
• Neem de tijd. Een dialoog is een vorm van langzaam denken gericht op diepgang.
• Laat de ander zijn/haar verhaal vertellen.
• Waardeer en wees nieuwsgierig naar het verhaal van anderen, oordeel niet.
• Sta stiltes toe als mensen even na moeten denken.
• Spreek vanuit jezelf, niet over algemeenheden (‘ik vind’ i.p.v. ‘men zegt’).
• Vraag toelichting als er toch algemeenheden op tafel komen.
• Fixeer u niet op oplossingen. Onderzoek de onderliggende redenen, waarden of visies van een probleem of oplossing.
• Behandel elkaar met respect en vriendelijkheid.

Een goede dialoog verbindt mensen, maakt ruimte en kweekt begrip.

Met dank aan Tom Sengers voor bovenstaande de tekst.

 
De onderstaande gespreksregels zijn grotendeels geformuleerd door een van de grondleggers van het hedendaagse Socratische gesprek, Gustav Heckmann.

1. In het gesprek wordt nagedacht over een fundamentele vraag op basis van wat de deelnemers ervaren hebben, niet van wat ze gelezen of gehoord hebben (geen beroep op autoriteit of op anderen).

2. Dit nadenken is een ‘werkelijk-zichzelf-onderzoeken’. Dat wil zeggen, wanneer een deelnemer twijfels heeft over het onderwerp dat ter discussie staat, dan moet hij die uitspreken. Maar heeft hij na zo’n zelfonderzoek geen twijfels meer, dan moet hij ook geen twijfel voorwenden (geen hypothetische gesprekken).

3. De deelnemers moeten moeite doen zich begrijpelijk uit te drukken, maar tegelijk zo beknopt zijn dat een gesprek mogelijk wordt. Dat wil zeggen, zij moeten ‘het lange betoog’ maar voor een andere keer bewaren (geen monologen).

4. Iedere deelnemer concentreert zich niet alleen op zijn eigen gedachten, maar spant zich ook in die van de ander te begrijpen. Om te bereiken dat nauwkeurig wederzijds begrijpen tot stand komt, kan de gespreksleider op ieder moment een deelnemer vragen in eigen woorden te herhalen wat een andere deelnemer naar voren heeft gebracht (controle van communicatie).

5. Gedachten over fundamentele vragen worden vaak in algemene of abstracte uitspraken uitgedrukt. Of iemand daarbij iets duidelijks denkt, dat wil zeggen of zijn uitspraak meer is dan woorden, blijkt pas wanneer hij in staat is het algemene of abstracte toe te lichten aan concrete, voor de deelnemers ervaarbare voorbeelden. In het gesprek wordt elke algemene of abstracte uitspraak aan deze test onderworpen (concreetheid).

6. Het onderzoek van een fundamentele vraag is niet afgesloten zolang ten aanzien van die vraag onder de gespreksdeelnemers nog elkaar tegensprekende opvattingen worden aangehangen (streven naar consensus).

7. Om overzicht te houden over het gesprek moeten de beschikbare hulpmiddelen ten volle benut worden. Dat zijn vooral het systematisch vastleggen van uitspraken en het onderscheid tussen zaakgesprek, strategiegesprek, metagesprek (methodische aanpak).